Het godinnenparadijs I
Ik lig op de grond. Geblinddoekt. Het absolute donker als drager van het dualisme. Gesloten en open gecombineerd. Het donker isoleert me. Tegelijkertijd contacten mijn zintuigen de buitenwereld. Ze functioneren op topniveau. De duisternis is hun doping.
Om mij heen zijn twaalf vrouwen. Ik weet dat ze er zijn. Ook hun ogen zijn bedekt. Ik hoor ze ademen. Ik hoor mezelf ademen. Altijd. Ik probeer minder geluid te maken. Ik wil niet dat iemand me hoort. Ik wil geen buiten in mijn binnen. Ik wil mijn binnen niet naar buiten. Niet nu. Nu is van mij alleen.
Stil.
Inktzwart.
Dan: muziek. Zwevende muziek.
Eindelijk alleen, althans zo voelt het. Een paar geblinddoekte ogen, in plaats van dertien. Ik heb ze weggedacht, wachtend op dat wat gebeuren gaat. Spanning en overgave vermengen op een prettige manier.
De muziek zwelt aan. Lang. Duister.
Iemand nadert me. Dichtbij. Haar lichaamswarmte ontmoet de mijne zonder dat ze me aanraakt.



